Schrijftraining & -coaching voor je boek

Je gaat een boek schrijven! Je hebt een verhaal, personages en zin om aan de slag te gaan. Maar wie vertelt het verhaal eigenlijk? Welk vertelperspectief kies je? Omdat er geen ‘vaste regel’ is voor het kiezen van het perspectief voor jouw verhaal, geef ik je in dit blog 5 tips waarmee je kunt bepalen welk verhaalperspectief bij jouw verhaal past, en hoe je dit vervolgens consequent toepast.

 

1. Wie houdt de camera vast? 

Perspectief is belangrijk bij elk verhaal. Wie het verhaal vertelt bepaalt vanuit welk standpunt je jouw verhaal vertelt.

Vraag jezelf dus af: wat heeft mijn verhaal nodig? Wie kan het verhaal het beste vertellen?

In dit blog ga ik in op de twee meest voorkomende verhaalperspectieven, de eerste persoon (ik) en derde persoon (hij/zij).

Tip:

Om erachter te komen of de ik-vorm bij je verhaal past: schrijf een scène vanuit ik-persoon en vervolgens uit de hij/zij-persoon. Voel dan wat het beste past.

Ik of zij, that’s the question!

Een intro uit een van mijn eigen verhalen…

Zij?

Als je niet beter zou weten, zou je niets bijzonders zien aan Janneke Bont. Een blonde, volslanke verschijning die in een massa nauwelijks zou opvallen. Vandaag ziet ze er netter uit dan normaal, in haar mantelpakje en hoge knot op haar hoofd. Eén blonde pluk die zich niet gevangen laat houden in het elastiek, krult onwillig langs haar gezicht, wat haar een vleugje speelsheid geeft bij deze, voor haar, ongewoon strenge look.

Of toch de ik-vorm?

Als je niet beter zou weten, zou je niets bijzonders aan mij zien. Ik ben een blonde, volslanke vrouw, die in een massa nauwelijks zou opvallen. Vandaag zie ik er netter uit dan normaal, in mijn mantelpakje en mijn haar verpakt in een hoge knot. Eén blonde pluk laat zich niet gevangen houden in mijn knot. Eigenlijk vind ik dat wel leuk, het geeft me een beetje speelsheid bij deze, voor mij ongewoon strenge look.

2. Hoe ‘persoonlijk’ wil je het maken? 

Schrijven vanuit de ik-persoon zorgt ervoor dat de lezer zich heel goed in kan leven in het verhaal. Je lezer kruipt als het ware in de huid van het personage en beleeft het verhaal zelf.

De ik-vorm is dus een ideaal perspectief voor verhalen waarin je wil dat de lezer optimaal meeleeft met het hoofdpersonage, en waarin de emoties en gevoelens van het personage voorop staan.

In een fictie-verhaal zoals een thriller of roman kan dat prima aanvoelen voor jou als schrijver, omdat je het verhaal niet zelf hebt meegemaakt. Schrijf je  bijvoorbeeld een levensverhaal, dan kan het aanvoelen alsof het verhaal ‘te dicht op je huid’ zit. Om dan juist wat afstand te creëren, kun je ervoor kiezen om niet het ik-perspectief te kiezen, maar je verhaal vanuit de derde persoon (hij/zij) te schrijven.

3. Hoeveel verhaallijnen zijn er?

Verhalen met meerdere verhaallijnen zijn over het algemeen complexer dan verhalen met één verhaallijn. Gebruik je hier de derde persoon (hij/zij) dan zal de lezer beter overzicht kunnen houden over deze verschillende verhaallijnen.

4. Hoe spannend is je verhaal?

Wil je de spanning verhogen door informatie nog even achter te houden voor de hoofdpersoon? Dan is de hij/zij-vorm een prima vertelperspectief.

Stel, de lezer weet dat een bij-personage kwade bedoelingen heeft voor de hoofdpersoon, en de hoofdpersoon zelf is overtuigd van zijn goede bedoelingen, dan ga jij op het puntje van je stoel zitten om erachter te komen hoe de hoofdpersoon achter de kwade bedoelingen van het bij-personage gaat komen en hoe dat afloopt.

Nog even op een rijtje…

Er zijn geen vaste regels bij het kiezen van een vertelperspectief.

Voordeel ik-vorm:
De lezer kan zich goed inleven/identificeren met de hoofdpersoon.

Nadeel: je kan het verhaal maar van één kant vertellen, en het kan bij een levensverhaal aanvoelen alsof het te dicht op de huid zit.

Voordeel hij/zij-vorm:
Ideaal voor verhalen met meerdere verhaallijnen, je kunt spanning creëren door informatie weg te laten voor de hoofdpersoon, en je kunt het verhaal vanuit meerdere kanten vertellen.

Nadeel: de lezer kan zich iets minder goed identificeren met de hoofdpersoon dan bij een verhaal in de ik-vorm.

5. Perspectief gekozen? Pas het consequent toe

Hoe je dat doet? Hier een aantal zaken om rekening mee te houden.

– Realiseer je wat je personage wel en niet kan weten

Voorbeeld: Hij loopt door de straat en voelt een koude rilling. Zijn vriendin loopt naast hem en voelt precies hetzelfde.

Dit kan niet: hij weet niet wat zij voelt. Als je dat voor de lezer duidelijk wil maken, kun je er iets in zetten als:

Hij loopt door de straat en voelt een koude rilling. Ligt het aan hem, of is het gewoon koud?

‘Schat, heb je het ook zo koud?’ 

‘Ja,’ zegt ze. Haar stem trilt. ‘IJskoud.’

– Realiseer je wat je personage wel en niet kan zien

Voorbeeld: Ik voel me rood worden, en even later zie ik eruit als een rode biet!

Dit kan niet: je personage kan zichzelf niet zien (tenzij ‘ie voor de spiegel staat natuurlijk ;-)). Hoe je dat oplost? Beschrijf het gevoel van je personage:

Voorbeeld: Ik krijg het warm en voel de hitte langs mijn hals naar mijn gezicht kruipen.

– Wisseling van perspectief

Stel, je verhaal wordt verteld door meerdere personages, elk vanuit het hij/zij-perspectief, wat doe je dan?

Tip 1. Wissel per hoofdstuk van perspectief. Dat is het duidelijkst voor de lezer.

‘Mag’ je dan niet in een hoofdstuk afwisselen? Natuurlijk wel, zoals ik al eerder zei: vaste regels zijn er niet. Wat je wil is dat je lezer helemaal in je verhaal verzonken is en je boek niet meer weg wil leggen. Als hij zich moet afvragen wie er aan het woord is (welk personage), dan loop je het risico dat hij daardoor uit het verhaal raakt. Maak het je lezer dus zo gemakkelijk mogelijk.

Tip 2. Wissel je in een hoofdstuk van perspectief? Doe dat dan als een scène is afgelopen. Geef een witregel voordat de volgende scène begint. Dan is het voor de lezer duidelijk: nu komt er iets anders, en komt een perspectiefwissel niet als verrassing.

l

Oefenen met perspectief? Alsjeblieft, een schrijfoefening!

Stel je voor, een moeder en haar jonge kind komen haar baas tegen in de supermarkt. Zij is onder werktijd een boodschap aan het doen. Wat gebeurt er als ze bijna tegen hem opbotst in de supermarkt?

 Schrijf het verhaal vanuit het perspectief van de moeder, dan van de baas en dan vanuit het kind.

Kies zelf of je gaat voor de ik-vorm, of de hij/zij-vorm.

Veel plezier met schrijven! Laat je me weten hoe het gaat in de reacties? Leuk!